DETA Vervolg

 

 

DETA-Jongens (vervolg)

Bij de landing op Schiphol was er niks geen slurf of zo,....... Na drie dagen vliegen, wat ik me nog kan herinneren met overnachtingen in Bangkok, Abidjan  en dan nog iets wat ik niet meer herinner. We waren wel blij, dat we vaste grond aan onze voeten hadden. Maar nogmaals het was zooooooooooo koud toen ik van de trap afliep.

DETA jongens in NNG

Kon nog wel denken: “Ik ben bevangen door de kou”, maar ze hebben mij daarna in een barak met een potkachel tot leven moeten brengen. Niet gek, als je bedenkt dat ik aankwam in een lange onderbroek en een boeluwai hemd met korte mouwen van de Chinees. Daarna gingen we in een truck naar Voorschoten, waar ze nog geen kleding hadden voor ons en dus kregen we matrozen kleding aan. Zelf kreeg ik een broek van Schwartsenegger aan en een matrozenbuis van die man uit de film “The Plane.....the plane(die tebol)”. Maar ik had het nu warm en dat telde. De baksmeester beloofde ons een rijsttafel en toen we in de vreetschuur kwamen, stond er rijstepap met suiker en melk. Enfin, nu weten jullie waarom ik zo gefrustreerd ben.
Gelukkig was onze korporaal een “Indo Mangidaan”(God hebbe zijn ziel), die er voor zorgde dat we Chinees konden eten. Tot aan zijn dood heeft hij aan mijn zijde gestaan, samen met zijn vrouw.
Alle testen die we in Biak al hadden gehad kregen we weer en natuurlijk doorliepen we alles met glans. Zondags gingen we(wel aan “het handje”) eten bij de Chinees in de Haag en dat was een kolfje naar onze hand. Smit ging er naar het toilet en heeft zijn kont getjebok met water(dacht hij) uit een fles. Gillend kwam hij eruit, want in de fles zat geen water maar lysol. Wij hebben  hem afgespoeld, maar die Chinees snapte er echt de bolen niet van.

Vlootbezoek “Karel Doorman” aan Manokwari

Mijn familie woonde in Sneek en ik mocht met een matroos meerijden in de trein. Dat was voor een hele ervaring. De trein reed eerst vooruit, na het overstappen weer achteruit en vertrouwde het voor geen cent. De matroos bleef maar lachen. In Sneek woonde mijn Moeder, met de rest van de familie in een pension en ’s avonds zeiden mijn neefjes en nichtjes tijdens het bidden: “God, bescherm tante Nonnon en Oom Wil in Indonesië en God bescherm oom John in  Nieuw-Guinea”. Dat waren ze gewoon te bidden en ik zat daar naast hen, het ook mee te bidden. ‘s Maandags ging ik weer terug naar Voorschoten, waar we verder gingen met het inrolleren van onze gegevens om op 24 april 1956 naar de “van  Gent” kazerne in Rotterdam te worden gestuurd. De “van Gent” kazerne is nog steeds de Matrix van het Korps Mariniers en je kan je voorstellen, dat toen 23 donkere mannen in matrozen uniform door de poort marcheerden als Mariniers  iedereen met zijn klus op dek viel(een Marineterm voor “melompong”). Dat was  natuurlijk schoppen tegen het zere been van de Commandant en subiet liet hij  ons omkleden als Marinier en daar waren wij het volledig mee eens.

John Bruininga en Jim Wolterbeek; twee gezworen kameraden

John & Jim waken over ons

De “van Gent” Kazerne afgekort, de VGKAZ.
Een oud Hospitaal, dat hoog boven het Toepad uittorent. Het is al van verre te zien met zijn koperen dak. Het was eerst trappen lopen en ook daarom moesten de kopspijkers uit onze schoenen worden gehaald. Een burgerschoenmaker, zo rood als een vuurtoren, moest ze er van alle 23 paar schoenen uit halen en die bewaren voor later, als we naar elders werden overgeplaatst.

 De toenmalige commandant was de overste Pronk, ooit commandant van de “schoenendoos” aan de Oranjelaan in Hollandia-Haven(het eerste onderkomen van de Mariniers in Hollandia). Hij was een grote vent, die elke ochtend binnen wandelde en de trap opliep naar de Onderofficier van de Wacht en voor een groot schilderij van een pijper, zijn ochtendgroet bracht met de woorden "goedemorgen Thijs". Zijn kantoor was op de tweede verdieping en keek uit op het exercitie terrein.
Wij werden ondergebracht in een houten barak met alles erop en eraan behalve de verwarming. Die waren ze waarschijnlijk vergeten, want we hadden er altijd stervenskoud. Ons kader bestond uit een jonge Luitenant, Mulder, die gelijk  “Babyface” werd genoemd, een sergeant-majoor en een sergeant, die wij nu nog steeds kennen als de "winkelhaak". Hij had namelijk een litteken op zijn hals,  sprak altijd uit zijn mondhoeken. Voor ons was het steeds maar weer "sparen jongens, sparen van ons loon van 70 gulden, dat bijna altijd op ging aan de chinees. Als we net onze "kat"(afgeleid van het Maleise gadji) hadden gebeurd, zag je ‘s avonds een Chinees aan de poort met een grote rantang eten en dan vroeg de Officier v.d. Wacht wat dat was. Dan zeiden we: “Eten, Luit”. “Hebben jullie dan hier niet genoeg te eten?” “Jawel”, was ons antwoord. “Maar dit is alleen maar snoepen, Luit”, en dan gingen we in het washok eten met als lepels ons legitimatiebewijs. Dit pasje was zijn tijd ver vooruit, want het lijkt op een bankpasje van tegenwoordig.
We werden al snel ingepast bij verschillende taken. Zo had je de taak om een week “zeuntje” te zijn. Je moest dan voor het eten zorgen voor al je Baksmaten, de tafel dekken en afruimen. Speciaal zorgen voor genoeg eten, want speciaal als er rijsttafel was moest je er voor zorgen dat er voldoende te schransen viel. Je stond dan aan het hoofd van de bakstafel en liet de borden langs komen en het was “vullen maar”. Op dat moment was je plotseling hun beste vriend, maar ze mochten toch niet beginnen met eten. De tamboer moest namelijk eerst "stilte" blazen op zijn trompet(je werd dan bijna de eetzaal uitgeblazen) en eenieder kreeg de gelegenheid om te bidden. Je hield wel harpstijf je “telor mata sapi” in de gaten, want anders was je die ook nog kwijt.

Aan de zwemsteiger

Vóór de Barak

Voor het eten was dan toch al bedankt, maar voor een tweede hap moest  je heel wat “ritselen”.
Daarna had je de middagrust en om 1300 begonnen de lessen weer. Wel na eerst  “Baksgewijs”(appel), want ze vertrouwden ons voor geen cent. Steeds maar weer was het melden, je kent dat wel. Rijtje naar boven, rijtje naar beneden en als je met geweer exercitie bezig was, dan had je kans dat de overste(die niks te doen had) naar beneden stormde en het peloton de huid vol schold. Omdat de handgrepen verkeerd werden uitgevoerd en eens zag ik hem als voorbeeld zo fanatiek het geweer afzetten, met zo’n kracht, dat de kolf brak. Wel zo ongelukkig dat het op zijn teen terechtkwam. We zagen hem weg strompelen en een week lang liep hij te hinken. Zo hadden we ook de wacht en vooral de zaalwacht was slopend, want dan moest je wacht lopen over de slaapzalen en iedereen lag te ronken en jij moest maar wakker blijven.
Zo ging Neyendorf voor de bijl, want hij lag op een leeg bed, toen hij werd gesnapt. De Officier v.d. Wacht vroeg hem waarom hij dat deed en toen zei de "neus"(dat was zijn bijnaam, want eerst zag je zijn neus en daarna pas zijn lichaam): “Luit als ik lig, dan kan ik beter denken en de Luit was op zijn achterhoofd gevallen want hij dacht, dat het ook zo was. Hij kreeg wel een schop tegen zijn hol en kon weer wacht lopen.
Schieten deden we in het Kralingse bos, niet echt in het bos, maar op een heel klein schietbaantje met een "tjies". En dan was er het lopen, dat als maar lopen, training voor de 4daagse. 800 Km moest je gelopen hebben, anders mocht je niet meedoen en als je een sergeant had, die niet kon kaartlezen dan was je in de aap gelogeerd. Zelfs over de dijken van Rotterdam kon hij verdwalen,  maar ja, zo puften wij de EMV door. We begonnen al echt op Mariniers te lijken, rookten zware shag, spuugden op dek en konden geblinddoekt een M1 uit elkaar halen en bijna weer in elkaar zetten. Zelf hield ik altijd wat over.  Eens moesten wij oppassen bij de sergeant thuis. Hij had een vervelend zoontje, die ons aan keek of wij van een ander werelddeel kwamen(en dat was natuurlijk ook zo). Hij vroeg ons het hemd van het lijf en toen hebben wij hem maar een slokje jenever gegeven, zodat hij voor de rest van de avond stil was.
De volgende ochtend zei de sergeant: “Gos, die zoon van mij was wel moeilijk wakker te krijgen........
 

Manokwari, mijn paradijs

Eenmaal was de barbier ziek en de sergeant vroeg wie goed kon dansen. “Nou ik”, zei ik. “Goed”, zei hij, “Jij bent van nu af barbier”. En de jongens moesten door mij geknipt worden. Dat betekende een kwartje per knip en ik kreeg zelfs twee kwartjes als ik hun "net alsof" knipte. De "neus” heb ik wel geknipt en hij keek mij een maand lang niet meer aan en hield zijn pet steeds op zijn hoofd.

We kregen alles te leren wat er tijdens een EVM geleerd moest worden en aan het eind van de EMV gingen we de VMV(Voortgezette) in, maar moesten daarvoor naar Doorn. Eerst moesten de spijkers terug in onze schoenen, waarna we onze packs in moesten pakken. Maar liefst transportbepakking en dat is heel iets ander dan enkel een pukkel op je rug. Al in die tijd deden ze aan bezuinigingen, want onze plunjezakken gingen per trein naar Doorn en wij moesten van Rotterdam naar Doorn lopen. We hebben er natuurlijk een oefening aan vast geplakt en er twee dagen over gedaan. In Schoonhoven hebben we op een vuilnisbelt gebivakkeerd en daarom weet ik dat het enige vak dat een Marinier kent, het "bivak" is.
En zo liepen de oud DETA-Jongens dus zwoegend door Nederland om hun bestemming te bereiken. Gelukkig hadden we nu wel een Sergeant die kaart kon lezen.

Links, rechts, links, rechts, zo liepen wij van ons laatste bivak in Schoonhoven over de Lekdijk naar Doorn, waar we, al weer volgens mijn Persoonskaart op 13 september 1956 aankwamen. Vaart makend op de Lekdijk waar de Sergeant niet kon verdwalen, met links de Rijn en rechts alleen maar weiland, zagen we de kerktoren van Wijk bij Duurstede maar niet dichterbij komen. Eindelijk op het laatste stukje aangekomen was het “kleding in orde brengen”, “Geeft Acht”, “Mars” en daar liepen 23 oud-DETA jongens("Tropische verassing” in Dungarees, helm op en geweer aan de schouders) kaarsrecht marcherend, armen 90° opgezwaaid, de poort van de “van Braam Houckgeest” Kazerne te Doorn binnen.
Daar begon dan het tweede gedeelte van onze opleiding, de Voortgezette Militaire Vorming. Alles gebeurde in de looppas, naar de vreetschuur, naar de kerk, naar baksgewijs, alles in looppas. En als je teveel gegeten had, dan maar ook in de looppas naar de w.c. In Doorn is alles wat boven je staat, een kleine God en wij waren de balen. Hadden alleen maar de wormen onder ons, en die zag je niet. Zelfs als je gewoon over het terrein liep, kon een tweede klas Marinier je aanhouden en zeggen: "Marinier zie je die boomstam daar?". Je keek en zag niets, maar ja hoor, daar lag een luciferhoutje. "Oprapen en begraven" was het commando met daarna 10maal een “push-up”. Kon toen met moeite 5 halen, maar dat was dan maar één keer en nooit weer. Al ‘s avonds in de wasruimte gingen we oefenen totdat we ons 500maal konden opdrukken(op dit moment nog maar 100maal met moeite).
Na het schaften moest je je “plate” schoon inleveren bij het “zeuntje” in het spoelhok. Deze tweede klas liet mij voor de 4de maal mijn "plate" schoonmaken toen ik het dus al driemaal had gedaan. Heb hem toen maar achter de balie  vandaan gehaald en hem zo snel als ik kon geslagen. Blijkbaar was ik toen zo over mijn theewater dat de “provoost” mij tot kalmte moest manen. Moest gaan zitten van hem en kreeg een glas “lem” te drinken, terwijl het zeuntje van de provoost op zijn donder kreeg.
Onze baksmeester was een kleine vent, maar wel één die een beetje de flinke  kerel wilde uithangen. Hij riep mij bij zich en zei, dat ik even naar de bakskamer moest komen. Daar stonden ook de vice baksmeesters. De deur werd afgesloten en ze stroopten hun mouwen op. “Loh dach ik, dese wor raboe, maar drie banjak”, dus nam ik zo'n ijzeren liniaal en zei: “Ajo, jullie gaan met zijn vieren doormidden”. De baksmeester bleek een wijze vent of een bange man te zijn. Weet het niet echt, maar hij zei: "Dat is niet de bedoeling”. “Ok”, zei ik en verder heb ik daarna nooit meer last van die macho gehad.
We bleven maar oefenen en oefenen. Alle heides hebben we gehad, Leusderheide,  Ginkelseheide, Mokerheide, de Harskamp en het was altijd maar weer lopen en liggen. Niet alleen op oefening, soms heb ik er ook gelegen met het andere geslacht, maar dat is een veel leukere oefening........
Van DETA-jongen werden we volleerd Marinier. We konden slaan, blazen, fluiten, een M1 geblinddoekt uit en in elkaar zetten(Gek, maar nog altijd hield ik wat over).
Na afloop van de VMV kregen we er een streepje bij en toen konden wij de macho uithangen van "hé Marinier, zie je dat bos op de grond". Wij vonden dat onder onze stand en flauwekul en deden daar niet aan mee. 
We konden nu onze zogenaamde “kwaliteitsnummers” uitbreiden en mochten een speciale Mariniers kwaliteit uitzoeken. Enkele jongens werden “mortierist”, anderen weer werden “mitriallist”. Vanwege hun intelligente uiterlijk werden Jim Wolterbeek en ik uitverkoren om demolitie-man te worden. De ex-DETA groep viel nu uit elkaar en ieder ging zijn weegs.
Jim en ik moesten naar de “Dumoulin” kazerne op de Leusderheide om de opleiding tot stoottroeper te volgen en daar mochten we spelen met dynamiet, TNT, Trotyl en al die springstoffen, die je tegenwoordig kan vinden om de buik van die zelfmoord commando’s.
Die hele opleiding was een belevenis op zich!

Ik heb u nog veel meer vertellen, hou deze pagina dus in de peiling
Met vriendelijke groeten

John Bruininga

Hr.Ms. Karel Doorman

RIO DE JAINERO de Dikke Boot op Vlagvertoon Aug. 1960
Bladoer,bladoer en dit waren de 21 saluutschoten op de ree van Rio De Jainero…Kalm werden we door sleepboten langszij de grote kade van Rio de Jainero gebracht… De bemanning van De Dikke Boot stond in linie langs de railling geparkeerd.
Onze eerste Officier Ltz1 Phaff , een boom lange man schreeuwde ; Geef Acht Front maken naar Stuurboord.” overbodig want we stonden reeds zo allemaal te kijken naar de kade.De EO was heel lange zoals ik eerder al zei. Als hij in aantocht was zag je eerst zijn voeten dan pas zijn lichaam en van de tien woorden die hij sprak, waren en negen vies.Het schip was met vlaggen gepavioseerd.en dat bracht tot uiting dat hij zei;“”dit schip lijkt wel een bordeel” maar des te min : Geeft acht… en zo meerden we afaan de Kade Van Rio de Jainero.. Aan de kade stond een band van de Fusilieros de Brazillustig te blazen en we herkenden het Wilhelmus een beetje op z’n Braziliaans. Je kent dat wel Swingend out .Hoge omes kwamen aan boord en ook dames met  hoge hakkjes Nadit alles werd er einde "meerrol"" geblazen en we gingen ons verkleden en woon de werkzaam heden hervatten, maar wel wal- werkzaamheden dus pokopoko.
Prachtige land die Rio mooie meisjes en grote gebouwen. Met die mooie meisjes was het wel snor, die gebouwen lieten ons koud Ik was chauffeur van de wacht en tevens de chauffeur van de commandant van Het Smaldeel 5 de Commandeur Ferwerda. Leuke man. Het was ongeveer 17.00 toen ik werd ontboden om de Commandeur te rijden ik reed voor en werd begeleid door 4 motorordonnansen en wij reden naar de Burgemeester om te etsetra etsetra. Je kan dat wel handjes schudden , ja, de commandeur en de Burgermeester. Na deze ceremonie weer terug naar Het Schip.. geen problemen .Ik reed gewoon achter de motorrijders aan.Om 19.00 kreeg de ommandeur het op de heupen en liet mij weer voorrijden Nu in burger liep hij de loopplank af en in zijn hand een bosje bloemen.Ik dacht, zo die ouwe snoeper aan het stappen? Hij nam plaats achterin en zei; “Op naar Copacabana”” ….en ik ;?????? En hij “Copacabana”; en ik weer ?????Ik zei tegen hem ; Weet u wel Commandeur dat ik samen met U voor het eerst In Rio ben …??? Gos ,zei hij ik dach dat jij een Braziliaan was.. ik zei nog U wordt bedankt Commandeur, Awel zei hij dat gaan we samen dan wel lekker uitvinden…. Nou hij had het geweten ;die uitvinder, en wij aan het rijden in Rio wereldstad nummoro één. Samen voor het eerst in Rio. Zonder kaart!!!! Ik zei nog zullen we aan een agent de weg vragen en ik dach,dan nemen we die agent gewoon mee want het is angstjagend wat wij nu doe maar hij zei rijden, we komen wel eruit, ja uit het haven complex wel, maar in de stad werd het spannend. Het zweet brak me tussen de liesen uitAls een burger begin te transpireren word hij zenuwachtig… bij een marinier Is het als hij niet zweet, dan wordt hij nerveus….En de Commandeur hield het ook niet droog.

Op een geven moment kwamen we op een kruispunt, voor mij leek het op een wereld-deel zo groot was het. En ik kon kiezen uit verschillende straten, wel een marinier heeft met kiezen nooit moeite. Ik schoot een straat in , en jawel hoor, één richting verkeer, de verkeerde. kant op, Stokstijf bleven we staan en de Braziiaanse auto’s raasden ons links en rechts voorbij.  Dit was de enige keer dat ik de Commandeur bleek zag worden, zelfs heel bleek en de bloemen die hij bij zich had waren zo  verbleekt dat ze slap waren aan het hangen. Enfin, een Braziliaanse agent heeft ons er uit geloosd en ons naar een juiste straat gebracht… en de Commandeur zei tegen mij; “ weet je wat ga maar terug naar het schip”,… en Ik ;?????Net zo moelijk het weer terug te vinden,het schip. Ik vroeg een agent waar ik moest wezen en deze zei tegen mij; :””aridos godime frastino moseter de arival sedeom”” daar zat ik ?????Mijn Portugees was niet toereikend, maar  gelukkig had ik een volle tank benzine.!!!Eindelijk na vele om rijdingen zagen we in de verte de radar van het Schip en de Commandeur zei tegen mij; “ Dit is nou de eerste keer dat ik blij ben het Schip weer terug te zien””!! en daar was ik het roerend met hem eens…Later heeft hij mij nog bedankt.. en hij zei nog’’ stom van mij maar; wij zij overal geweest, behalve Copacabana……..!!!! Die Commandeur toch....van Smaldeel 5
Zelf meegemaakt
Paatje John Bruininga, Oud Marinier
 

Van pionier, kolonist tot marinier

Bij dit verhaal geen plaatjes omdat het verhaal gelezen dient te worden als of het u verteld wordt met een indisch karakter zoals tante Lien u iets verteld.Het is humor, maar de inhoud is echt..            Hans

.

Mijn laatste episode als Deta jongen op het eiland Nieuw Guinea.
Met de boot aangekomen in Manokwarie wist helemaal niet wat me te wachten stond maar geef neks we zien wel en ja hoor ik kon als stuurman werken bij de Brais Bakker op een bootje de "ms ZWERVER" het was een houten boot met een benzinemotor dat later hiervoor aan de ketting werd gelegd maar eerst ging ik producten en mensen overvaren naar Noemfoer ik bracht spullen van toko Tje Kia (daar heb je hem Rob) en dat was dus pontjes varen op de duur moesten er zoveel mensen vervoerd worden dat het leek of ik illigalen weg bracht wat later ook bleek want het schip was bestemd alleen voor vrachtvervoer en dus de mensen in het ruim zaten opgepakt totdat op een dag ik motorpech kreeg en 0ngeveer 12 uurtjes zat te dobberen op zee ik kreeg op het laatste nippertje nog een puntje van Noemfoer te pakken anders ging ik op de grote zee dobberen nadat we de reparatie hadden verricht keerde we op een poot naar Manokwarie terug waar het schip door de havenmeester aan de ketting werd gelegd en de Brais Bakker was nergens te vinden geen geld geen eten geen huis daar stond ik dus de verrekijker de radio en nog een paar dingen sloopte ik en verkocht het, Gelukkig was de Hr,v.d.Heyden zo goed om mij optenemen in zijn kleine sleephelling en ik kon daar werken samen met Herman Hordstman Horts en Toontje Mager en Emiel Lans en ook alleen maar voor kost en inwoning soedah dat was goed bij het eten kookte Mvr.V,D Heijde een hele grote pan met rijst zo' waskom met bloemmetjes en nog wat sajoer en corned beef en wij schepten onze borden vol en Horstmanhorst een hel grote man wachte geduldig af totdat wij hadden opgeschept en toen pakte hij die waskom met rijst en flikkerde alle gerechten er in en begon met de hand alles op te eten natuurlijk volgende keer eerst je bord vol peret ander kon je niet emboho maar dat werk liep ook op niks uit het was wel leuk want in de tuin hadden ze een badminton veld en wij ieder avond badminton onze club was SIDOLIG veel lieve meisjes en dat was nieuw voor mij. toen ging ik bij houtzagerij V.D Hout werken ook niet voor lang en ook voor riist en corned beef of pilgard vis Ook dat was zo bekeken en ik bleef in de houthandel bij Baume moest met een bootje boomstammen van Oransbarie naar Manok slepen dat was spannend werk samen met een papua boomstammen slepen op zee naar manok als het storm weer was dan zag je de sleep boven jou en darna beneden jou elke sleep duurde twee dagen en kouwe rijst met vis begon me ook de keel uittehangen en ik sliep in Wosie bij Brilman zijn koeboek "EL RANCHO THE TREE BELLS" wadoe hevaarlijk we kwamen de helling af op de fiest knalled door de opening en parkeerde onze fiets naast de veldbed dat steeds met een klamboe was nooit omhooggehaal onze badkamer was een drum en het water kwam uit verschillende bamboekokers aan elkaar tot bij de bron dus het water liep constant en soms moest je het reparreren omver gelopen door een zwijn of zoiets en op een dag ,We sliepen met z'n vieren Veerman,Gibson, Brilman en ik, werden we alle vier ziek malaria en echt ziek je ken dat wel s'ochtens ijskoud en s'midag loei warm en toen we weer beter waren keken we om ons heen en we dachten dat we in de hemel waren al die tijden hadden de fam.V.Rooyen voor ons gezorgd alles netjes opgeruimd enfin en zo gingen we verder totdat ook Baume verleden tijd werd ging ik werken bij de residentie waterstaat Het stond als REST.WAT_ER_STAATik werd aangenomen als Chauffeur maar ik had helemaal geen rijbewijs dus ik reed naar het pol.buro en vertelde de inspecteur over dat als ik geen rijbewijs kreeg geen werk had en dan kan ik wel eens vervelend kan worden en hij begreep mij gelijk ik reed af en keerde naar het werk terug waar ik me moest vervoegen bij de IR.Leeflang en hij vroeg mij naar mijn rijbewijs en ik gaf het hem en hij zei heb je het vandaag gehaald nou dat was toch ook zo ik kreegmijn baan bij de wegenbouw had een rode DAF met het opschrift "SCARMOUCHE" van de rode pimpernel weetje en hiij was de enige wagen die kon dansen en ik had geen peunmatische schokdempers of die dingen mijn taak was s'ochtend Arfakker ophalen in Mangoapi zand laden in Rendanie en langs de Fanindieweg gaten in de weg volgooien maar ik zorgde steeds dat ik 12.00 bij Mvr.Paulus was want die verkocht lotehk heerlijk en soms als mijn truck vol was met arfakkers uit Mangoapie reed ik de helling af in zijn vrij want die arfakkes stonken een uur in de wind en op een dag een heleboel geschreeuw achter uit de bak en ik stoppen en het bleek dat een arfakker zijn vrouw langs de kant zag en onder het rijden stapte hij eruit je kan na gaan wat voor ravage er bij die arfakker was en ik stopte de wagen om te kijken maar ik vergat de handrem en toen zag ik de wagen met de resterende arfakker de helling afduiken en gelukkig in een rozentuin van een kolonist maar er moest wel een tracktor bij te pas komen en die arfakkers een lol dat ze hadden en zo ging alles weer zijn gangetje ik werkte samen met Sam Dumas en werd verliefd en weer niet ging voetballen bij SIDOLIG en daar was de Pauw Toekang Lanka na elke trap ging hij een volledige workshop van pentjac geven als wij ginen spelen dan gigen ze de score tellen alleen maar hoeveel mensen eruit werden getrap zo leerde ik ook Pietje Klink van sparta kennen en de Fam. Nuse met drie bioetuful meisjes een keer toenAnneke in de tuin werkte en ik op de fiets aankwam reed ik zo tegen een stilstaande wagen aan en buiten sterretjes nog een maan en daarna nog even bij de Genie gezeten heb de munitie bunker daar gebouwd en daarna kwam de aanwerving voor het korps Mariniers en samen met nog 23 detajongens begonnen we een nieuwe periode in de geschiedenis en op 13 januari 1956 om 15.00 heb ik geteken als MARN 3e KLAS en 1 april 1983 met eervol ontslag en er tussen heb ik het leven gevierd en ik heb geen elke moment spijt van gehad !!!!!

Groetjes John,

Mijn voorwoord bij dit verhaal

Ik had dit verhaal oorspronkelijk op de pagina “Praatje Pot” willen zetten, maar bij nader inzien vond ik het gepaster om het bij de DETA-boys neer te zetten want daar gaat het over. De inzender weet zelf ook wel dat de gramatica en de Nederlandse taal niet helemaal correct is. Hij wilde echter het verhaal kwijt in de taal en de manier van spreken die toen door de Boys werd gesproken. Ik kan u echter verzekeren dat John Bruininga uitstekend de Nederlanse taal beheerst. John spreekt hier met zijn hart en niet uitsluitend met zijn mond en daardoor u een stukje nostalgie laat beleven. In dit geval gaat het er dus niet om hoe hij het schrijft, maar wat hij schrijft. Dat is ook de reden waarom ik het niet heb gecorrirceerd.Beschouw het als een praatje aan de bar, met een biertje er bij, en waar John verteld over de tijd van toen met het spreekkarakter wat toen werd gebruikt.. Ik heb er van genoten, u hopelijk ook..

Hans

NED.NIEUW-GUINEA 1950-1956 IN HET JAAR VAN WISTEN WIJ VEEL…………..de D.E.T.A.Boy....
NngFL;1.50-, perdag..........
Voor de records; Aankomst 3 oktober 1950- Hollandia huisvesting barak 239 de goede Hoop??? Oranje laan nu zijn er veel informatie over onze leven in NG. Boeken schrijven geschiedenis website te over Surf maar naar Internet dan lees je de verhalen van toen en foto’s erbij Johnnie Bruininga staat er ook op maar het gevoel staat in onze harten gegrifd met niemand kan je gevoel delen slechts met een Deta jongen van een pop vijftig…. zonder veel woorden te gebruiken alleen maar een trefwoord en we gieren het uit of worden wij verdrietig maar meestal gieren ze maar “LEKKER LOH PEH” dan weten wij wat dat behelst maar ja weten jullie veel’

Barak de Goede Hoop 150 jongens 4 rijen dik eerst onze plekje uitzoeken daarna velbedden halen de eerste nacht zal ik mijn leven niet vergeten  moe en slapen op een veldbed van glaswol een crime de volgende ochten zag je eruit alsof je uit een martelkamer kwam van de kempeitai je hele lichaam vol krassen verschrikkelijk maar je wist ik veel ik wist nog niets zoveel maar gaandeweg begon je te weten dat je eigen ik belangrijk was je werd ingedeeld bij een werkgroep op een terrein in linie opgesteld en met je handen de roempoet uit de grond trekken  bouwrijp maken zo gezegd  daarna gaten graven voor de fundering om daarn met de hand het beton te mengen 1,2,3, dwz 1 cement,2 grint. 3 zand dat was de verhouding en ik zal je vertellen het was zwaar werk heel zwaar wat dacht je wat dat die spteren van mij vanzelf kwamen aanwaaien het was werken in de bloedhete zon, we bouwden concenthutten die de Amerikanen aan matriaal hadden achtergelaten i n grote stores van veiligheidsspelden tot buitenboordmotoren en wat ertussen zat we werden je kon er van alles krijgen (lees jatten) we werden meesters milikers en droegen jeans en blauwe shirts net als de us sailors (toen al dus) je kan wel nagaan dat het niets nieuw je hoefde je jeans niet eens te stoned te wassen hij verbleekt gewoon aan je lijf en om 12 uur was het schaften en dan gingen we naar onze barakken en daar stond de kamer wachten gereed om eten uit te delen; eerste bak was een lijkkist met dampen rijst want het lood in de kist hield het rijst warm tweede was een bak met kankoeng en de derde bak was hoe kan het ook  CORNEDBEEF in alle vormen weer gekookt/gebakken of zo gewoon uit blik het hing helemaal af van de humeur van de kok elke dag weer  en een bak met sambal completeerde de maaltijd en elke week kreeg je een plakje zeep dat weinig sop gaf zo’n benen dingetje met Sunligt als merk en een tinnetje sigaretten golden gate en s’avonds was het ergst dan had je totaal niks dus we gingen trainen tilden alls wat maar gewicht had en soms was het bier ook lekker. We werden ingezet in de wegenbouw / huizenbouw enfin we zaten gewoon te koloniseren we dronken bier als tempelieren vochten tegen alles wat blank was  Slokkershuis waar we matrozen de tent uitslagen tegen de boegenezen tegen de politie we waren steeds gefustreert en als er wat te knokken valt deden we mee en  lieten ons haar groeien trainden  onze body en we deden alles wat god verboden had , meisje had je daar niet en als we plotseling een zagen dachten we wat een rare jongen is dat twee bulten op de borst en lang haar wisten wij veel. Daarna werden we overgeplaats naar Hollandia stad in de SAMBA barak sliep samen met de “Jungel prins”Rob Halegraeff daar werkte ik als busconducteur en had twee zakken mijn kaartje was zogroot dat het makkelijk  in tween ging een kant  voor de baas en een kant voor mij wisten zij veel. Toen eindigde onze termijn van 3 jaar en we werden op de maatschappij losgelaten ik mocht niet meer in de contrak barak liggen en met een stelletje jongens  hebben wij een oude barak opgeknapt en dat werd “DE SPOOKKASTEEL” en het leek er wel op we waren bang uitgevallen en nog erger toen een of ander grapjas voor aan de ingang een skelet ophing toen dorsten wij niet meer door de hoofdingang en gingen achterom laffaards die we waren. We vormde een groep MANNOT en namen taak werk aan ik had in een dump een garand m1 gevonden een Amerikaansgeweer en die heb ik mooi onder mijn velbed gehangen totdat ik werd verraden de gehele omgeving in de ochtend werd door militairen en politie afgezet en ik werd in de boeien gezet en ik ben van mening dat Mannot zelf  mij verraden heeft maar ja weet……. We hadden daarna geen werk meer en we lanterfanten maar wat ik ging Met Koch een auto uit de dump opknappen om zand te rijden en dat hebben wij een poosje gedaan maar elke dag elke keer de wagen volscheppen met zand 3 ton en daarna naar een bouwput weer uitscheppen en dat begon te vervelen en je werd er doodmoe van maar dat heb je steeds als je werkt. Onze eten werd verzorg door met een rantang elke middag het af te halen bij een mevr. Voor 100 gulden in de maand en daar had je weer die CORNEDBEEF tot dat ik geen geld meer had toen moest ik bij de chinees op de bon maar bappao gaan eten een bappao met flink wat sambal ertussen dat stilt de honger maar soms dan lonkt het lekker eten dan gingen we naar Restaurant On(oedelnja bolong) en lieten dan lekker eten voor ons koken en daarn hoe jammer het was voor Ong konden wij niet betalen en dan zeiden we laat de politie maar komen en dan werden we weer opgepakt maar de politie wisten wel dat wij honger haden later hebben wij Ong wel terugbetaald en dan was er nog ook zo’n ’winkel Ong Ak die chinees had zoveel rommel in zijn winkel dat hij er bijna in verloren ging ,dan pak je een stel jungelboots en je stond dan voor hem en kijkt hem aan en dan vraagt hij watje wil dan laat je hem de schoenen zien en je vraagt tegelijk teruggeld en zo heb je een paar schoenen en geld wist hij veel,,, ook werd ik op een goede avond in de Sentanisoos Kampioen Juterbug op het muziek van BILL HEALY Rock arround the clock kreeg een taart als prijs maar er bleef na een vechtparty weinig van over natuurlijk heb ik nog veel meer avonturen in die tijd meegemaak Op een geven momment toen we het predicaat bappaomen kregen en er na uitzagen  kregen we in ons kamp een familiebarak en daar begonnen we te wennen aan het familie gevoel ook was daar een fam.van Genderen later bleek ze een vriendin te zijn geweest van mijn zusters in Modjokerto en op een dag hebben we de kat van de fam.Loos genekt en schoongemaakt en mevr.vvan Genderen gevraagd of zij het kan verkoken tot boemboe bali te maken ze vroeg wat het was en we zeiden babi roesak wist zij veel maar het smaakte wel lekker maar de fam,Loos maar roepen “poesie,poesie en zo was ons leven aaneengesloten van survival en toenwerden er visser gevraagd bij de gouvernementzeevisserij nou ik hou van vis dus gesoliciteerd en aangenomen en werd geplaats in Sorong Doom een eilandje voor Sorong en dat is een verhaal apart;
ZEEVISSERIJ ;  Doom een klein eilandje voor Sorong met een aantal inwoners en aan de zuidkant onze domein de zeevisserij met als hoofd de Hr.Frijn en de Hr. Cornelis haden voor anker staan een Lounge boot en een paar prauwen  grote netten en een bak met taan, later toen we vowaarde visser waren wisten wij wat dat allemaal betekenden wij waren op het eiland met Henry Vidal, Paul Blomeart, Henry v. Loon Totok Smit, Tjalie Groeneveld,en zijn broertje en nog een waar ik de naam ben vergeten en ik natuurlijk v.Loon was voor het meerendeel ziekt dus we werden periodiek geplaats a/b van de tonijnjager”Hollandia” of op een eiland gedropt Pulau Senaphaan om aasvis te vergaaren voor de tonijn jager verhaal over een week op het eiland.>: zo’n eiland van je dromen in de stille zuidzee (kan je dat voorstellen???) nou daar hadden we geen enkele assiosatie mee voor ons was het maar een eiland in de pacific we hadden een paar tenten met onze benodigheden een kantjo aan die we steeds schoonhielden want we zaten meer in zee dan op het land we hadden aan het strand een sloep met ermidden in op een flonder een net dat op gevouwen was met als links het lood en rechts de drijvers dan voor twee roeeirs midden twee mannen om eerst het lood uittegooie en dan de drijvers dan erachter twee om te roeien en een stuurman nu gebeurde alsvolg om een uur of 5 voerde Bekkers de stuurman met een prauwtje naar midden van de zee emet aanboord alleen maar een petromxlamp en een pakje tabak want tot 12.00 s’nachts bleef hij alleen dobberen op de grote oceaan en om 1uur peddel hij heelrustig naar de kant inmiddels heeft hij de petromax een heel schelle lamp aangestoken en rondom hem om de prauw wemmelde het van vis alle soorten soms haaien aangetrokken door het licht en kalm naderd hij dan het strand en minsten een uur moet hij wachten alvorens hij het continentale vlak wil overschrijden van diepe naar strand dus on dan de vissen te laten wennen aan het wit van het zand en dan ongeveer 50 meter van het strand maaken we een omtrekkende beweging eerst richting zee en dan ronde we achter de prauw om en tijdens deze rit wordt het net te water gelaten eerst het lood dan de drijvers en als we de ronding hebben voltooi dan is het met volle vaart richting strand en daar sluiten we het net en de vis zit gevangen maar niet altijd gevaarloos want het net wi wel een vast komen te zitten aan de karang en dan moet een van ons het net vrij maken en soms is er wel een haai of twee in het net dan moest totok erin die man was voor de duivel niet ban noeu ik ook niet maar wel voor haaien en dan trokken wij het net op het strand met veel geheisa en je weet niet wat je ophaald maar genoeg aasvis voor de tonijnjager de aasvis gooien wij in een grote leefnet dat drijven werd gehouden door drijvend hout daarn een uur of 6 in de ochtend als ontbijd gebakkenvis met klapper en rijst enak lo pim en dan gingen we to 12 s’midags slapen een week lang we zgen eruit lekker bruingebrand gezond en wel een steenpuist druktten we zo weg en Totok snee het gewoon van zijn lichaam en zei pijn is fijn  later heb ik per ongeluk een vlieg op zijn hoofd doodgeslagen en toen vond hij dat niet fijn die slappeling dat was leven; op een dag werd van Loon gebracht om ons te versterken je moet weten dat het strand vol met boomkrater lag zo ook in het water en als we het laatste gedeelte van onze vaart onze  netten uit de prauw waren gegooid dan moeten we als de weerlicht uit de prauw en dansprongen we in een zo;n krater want s’nacht was het wit gekleurd en de rest was ongeveer kniehoogte dus ieder een nam een krater maar wist van loon dat en nam een forse duik en van dien tijd was hij nooit meer hetzelfde die hij was zelfs zijn naam wist hij voor een tijdje niet meer maar gelukkig is het goed gekomen allen op de plek waar hij neerkwam groeid geen haar meer’’We gingen ook een kleine hadeltje opna houden om ons salaris wat bij te spekken immers een vis koste zo en zo al een tientje per stuk dus dat was handel en we waren in de voeding bij de fam,de Qulletes ook zo’n godsdienst wanzinnege eten was wat de pot schafte en wij vonden het wel goed als het maar rijst was op een goede voor hem een kwade dag bracht hij een pot erwtensoep naar binnen met door de twee oren een stok en jaar hoor de stok brak en de warme soep kwam in zijn onderbroek terecht en zijn zoon kwam net uit de badkamer met een handoek om zijn lichaam ; hij rukket de handoek van het lichaam en stopte die in zijn onderbroek uitschreeuwen van:goede God neemt mij tot u en al de christelijke uitroeppen en zijn zoon ook maar vloeken omdat hij in zijn naakie was
Dan was het onze tijd om op de tonijnjager te varen en de andere crew ging op aasvissen
DE TONIJNJAGER; onze kapitein was een echte zeeuw Keus hete hij leefde op vis en jenever en kon vloeken als een ketter elke tien woprden dat hij sprak waren 9 vies. En er was de stuurman Bekkers en de werktuigkundige Cornelissen en die kon op commando scheten laten soms riekt het en soms niet maar we konden geen risico nemen dan hebben we nog onze onvolprezen kok Fidel die kon koken als de pest en net zo als het spannen werd tijden het koken en hij moest water hebben voor een of ander gerecht en kon dat nergens vinden en dan werd het dicht bij zijnde pan water gebruikt en soms was hetafwaswater en dat gebruikte hij dan, maar wij nimrods bij de gratie gods haden buiken als  prikkeldraad het lekkers was gebakken verse tonijn met sambal en rijst.Op een dag moest er hout worden gehakt en Fidal heeft toen zijn voet per ongeluk door midden gehakt dat gaf een consternatie want hij kon niet meer koken en zo hebben wij stuk voor stuk leren koken  nu zit Fidal ergens in Australie heb hem gebeld en het enige wat dat zieltje zich van mij kon herinneren is dat ik eens achter in de auto met een meisje zat te rommelen ik kan me dat nauwelijks herinneren enfin beperkte denkvermogen,


Het vissen was een waarlijk avontuur; het herschrijven trouwens ook
Dit episode heb ik nog een tijdje volgehouden maar ik wou naar manokwari maar omdat ik in de nautische bedoening zat werd mij een baan aan geboden bij rederij ban de Bos uit Sliederecht op een kustvaarder maar eerst moet ik het diploma stuurman lokalevaart halen en zo ging ik naar Hollandia waar ik in Hamadi de stude platte zeevaartkunde ginng studeren samen met Piepelenbos een WTKer maar omdat ze zaten te springen om mij kreeg ik een 24 uurscertficaat dat wil zeggen dat ik 24 uit de kust mocht varen en natuurlijk langs de gehele kustlijn van Nieuw+guinea; Stuurman Locale vaart J.Bruininga a/b van Ms:Cycloop dat was een hele ervaring ik was scheepsofficier had een eigen hut en at in de longroom maar kreeg wel de hondewacht en de platvoet achter mijn kiezen we waren net de wilde vaart vervoerden producten die de handelaren langs de kust van de bevolking kochten tenminste het was een ruilhandel met borden /kleren/zout/suiker tegen lola/damar/copra dat was een kleurrijk leven hard werken maar ook goed verdienen we voerden langs de Noordkust van Nieuw_Guinea en het leven was goed toen werd ik overgeplaats naar de zuidkust en dat was minder. Marauke veel miskieten en het getij was verschrikkelijk het varen werd er niet minder makkelijk van, en de kapitein was van de GouvernementsMarine met een veel mindere loon dan ik dus de wrijving kwam spoedig mijn eetgeld bv, was fl20 per dag en die van hem was 7.50 en we aten uit de zelfde pot vnd ik niet er maar er bleef van mijn 20,.nog 12.50 over en dat kreeg ik dus niet wel dan is het gauw bekeken en hoe zeer het aan mijn hart ging moest ik maatregelen treffen en het werd zo erg dat ik met een doorgeladen pistool onder mijn kussen sliep, eens kreeg ik de hefkraan bijna op mijn lichaam en dat nijpt dus tot een vertrekt wat ik dus deed tijdens het vertrekt van de ms.Cartsen ging ik van boord en de kapitein gebood mij aan boord tekomen maar ik zie zwiepen en het schip kon dus niet onderbemand uitvaren en ik stapte op de Ms.Karrossa van de KPM naar Manokwari
Manokwarie..

..
Eindelijk na vele omzwervingen belande ik in Manokwari eigenlijk wat ik wilde heb toen op een boot gevaren de “Zwerver” van de Brais Bakker zogenaam vervoer van produkten maar in feite gingen er ook passagiers mee naar de eilanden hoofdzakelijk naar Noemfoer we hadden een bezine motor a/b wat verboden was diesel had het moeten zijn maar de Brais dacht simpel en ik dus ook tot op een dag dat de motor het begaf onderweg wel te verstaan ik heb 24 uur schipbreuk geleden met nog meer mensen aan boord nadat de motor provisorisch was gerepareed gingen we hakke puf richting Manok waar hij gelijk aan de ketting ging en ik weer zonder baan zat de Brais had ook geen geld daarvoor dus ik begon het schip te slopen en verkocht het kompas en dis meer om mijn lege maag te vullen heb toen onderdak geregen bij de Fam.van der Heyde en ging werken voor kost en inwoning op een kleine scheepshelling achter zijn huis samen met Toon…? En harry van der Horst die Harry was een boom van een vent en een maag als een olifant want als we aan tafel gingen dan wacht hij rustig af totdat iedereen heeft opgeschept en de resterende voedsel trok hij alles naar zicht toe en at alles op zodat we niet voor een twede keer konden opscheppen maar we kregen wel genoeg en de plaatselijke club SIDOLIG was in handen van de Fam, en de tuin was groot genoeg om te gaan badmintonen en volleybal daar hebben we voor het eerst met meisjes in aanraking gekomen de meisjes Rooyen/Pieters en verschillend namen die mij aan de brein onschoten zijn maar het was wel een leuke groep daarna had ook de Heer v/d Heijde geen geld meer en toen ging ik werken voor een houthandelaar van der Hout   deze man hed veel praats maar als het om betaling ging dan kreeg je als voorschot een blikje corned beef en een beetje rijst maar van geld heeft hij nooit gehoord en dan weer bij een ander houtzagerij gewerkt bij de firma Baume op Pasirpoethi daar moest ik in een motorboot hout slepen vanuit Oransebari naar Manok en dat duurde bij storm bijna twee dagen samen met een papua sleepten wij dat hout achter ons sleepboot en met zwaar weer zag je de sleep boven jou hangen zohoog waren de golven om daarna hem heel diep beneden jou te zien maar ook dat overleefd ik ik wist niet of ik wel geld heb gekregen zal wel want maar eten kreeg ik wel / daarna ging ik bij de genie werken we moesten bunkers bouwen en dat was zwaar werk beton storten en in de brandende zon werken we sliepen in een barak samen met een boel jongens ik kan me niet zoveel van herinneren wel was mijn slaapje Gibson en de vloer was betegeld s’nachts lieten wij knikkers door de zaal rollen om de jongens bang te maken maar daar werden we zelfs bang van dus dat lieten we maar


Na de episode van de genie ging ik ook eens bij de Firma Andreas de gevangenis bouwen  ook dat was een leuke periode tussen de vier muuren en als ik moest stukadoren lag de cement merendeel op de gron dan op de muur ik kreeh het spaans benauwd  en ging weer van baan verwisselen want bij  de R.W.D. vroegen ze om chauffeurs wel al had ik nog geen rijbewijs ze vroegen toch om chauffeurs nou ik werd aangenomen en tegelijkertijd ging ik met een truck naar de politie en zei tegen de inspecteur daar op het bureau, moet u eens luisteren ik krijg nu een job bij de RWD maar ik heb geen rijbewijs nu kom ik er eentje halen want als ik geen rijbewijs heb kan ik ook niet werken en dan wordt ik vervelend dus zo gezegd zo gedaan ben afgereden en van dien tijd af tot mijn 70ste jaar heb ik alle catagorieen rijbewijs,totdat ik 70 jaar werden alle catogorieen behalve de auto en aanhangwagen van mij afgenomen , en uiteraard werk bij de R-(ESTAND) W-(AT ER S-TAAT) Dienst. MANOKWARI

Het werk bij de RWD;Residentie Water Staat Dienst; Omdat ik geen huis had  kreeg ik hiusvesting op het terrein van de RWD samen Met Sam Dumas en mijn werk bestond uit het onderhoud van de wegen  mijn chef was ik weet het niet meer maar hij had een slappe oog maar kon zien als de beste ik reed in een diesel DAF mocht mijn wagen een kleurtje geven maar de enige kleuren waren rood en groen zo gebeurde dat en ik noemde mijn wagen “SCARAMOUCH” na de film van de rode pimpernel en die wagen kon dansen als ik het althans wilde.
Ik moest om 7.00 naar Mangoapi rijden om arfakker op te halen en dan naar Rendani rijden om zand optehalen om daarna langs de enige en lange Faninidiweg de gaten op te vullen spanend werk soms met gesloten ogen achter het stuur en die papua’s maar scheppen en stampen op een keer reed ik langs de hoge met gras begroeide berm en mijn wagen bubbelde op en ik reed rustig verder later bleek ik over een fiets van een werker van de tellefoondienst die in een paal moest klimmen om een storing te verhelpen de fiets lag helemaal in de kreukels en ik bijna ook, maar gelukkig dat ik nog een wielmoersleuten in mijn hand had dus de man zat alleen maar te mopperen en ook reed ik op een ochten de Arfakkers op te halen en dan zaten zij achter in de open truck te djoe-djoeken en plotseling begonnen ze te schreewen dat ik moest stoppen en ik remde en stappte uit en vroeg waarom wel een van die Arfakkers zag zijn vrouw lopen en stapte zomaar de rijden wagen uit met gevolg dat hij helemaal in de kreukels lag en omdat ik was vergeten de handrem aantezetten gleed de wagen zo de helling af en kwam tot stilstand in de rozen tuin van een kolonist de schade was enorm en mijn schade was in mijn eer aangetast maar zo wat dat was de RWD… Ik reed ook op een motorfiets een “JAWA CZ”200cc en je hoorde mij opmijlen afstand aankomen omdat het een tweetakt was we reden vaak naar het vliegveld om te racen samen met andere motorrijders Jantje de Wolf reed op een sparta Jantje keek met zijn rechteroog in zijn linkerbroekzak op een keer reed hij langs de Mulo en keek naar de meisjes en reed zo tegen een stilstaand truck op we hebben hem eraf moeten schrapen .
Daar kreeg ik ook verkering  met een heel mooie meisje ..koelitlansep huid maar haar vader was heel snel met zijn geweer en dat was vervelend als je haar graag wilde ontmoeten met een motor dat je al op kilometers afstand hoorde mij vriend Sam Dumas(god hebbe zijn ziel) een heel brede jongen maar zo plat als een cent  kon zo door de brievenbus naar binnen ,..zou me naar een afspraakplek met haar brengen hij zei tegen mij John ik rijd je langs die afspraakplaats ,je springt eraf en ik rijd door naar haar vader en hou hem bezig maar die hufter reed zo hard dat ik niet(durfde) van de motor kon springen zonder dood te gaan en zo hebben we een leuk gesprek met de vader gehad en Tenny zag ons voorbij snorren  zij kon het niet waarderen.En zo ging het gestaagd door. We kwamen veel bij de Fam.Rooyen een heel groot familie een echte band altijd was het daar druk en iedereen meeeten op een dag had ouwe heer Rooyen me tuk hij had tomatensoep gemaak tenminste het was wel rood maar dat zat geen meter tomaat in wel lomboks en hoe ik had wel een week diaree... badminton was onze sport en ik ging ook voetballen als wij gingen spelen dan was de score niet 1-1 maar hoeveel mensen je eruit het veld heb getrapt SIDOLIG was de naam de naam was een of andere mythische God maar al gauw was het Slapen In De Open Lucht Is Gezond en zo was het >het was daar heel gezellig de meisjes daar dorsten we niet verlief op te worden bang dat de gezelligheid verloren gingen maar toen kwamen de jongens uit hollandia en die dachten er anders over en de meisjes ook .De Jongens uit Hollandia kwamen en kregen verkering bouwden huizen en leefde heel lang en gelukkig.. Beste Chris Andreas begon een Ketjap fabriek en zo ging het leven verder in Manokwari ..een paradijs op aarde....geluk was toen heel gewoon... en dat neemt niemand meer van mij af... die herinnering koester ik en dat vorm mijn bestaan...tot nu toe zijn er mensen die terug blikken op die mooie tijd..en zeker de Walplaatsers van de Mariniers die in Manokwari hun Term hebben uitgezeten... en die nu tot mijn beste Sobats behoren en.... waarvan er eentje de moderator is van deze Site.
.Hans Slijkhuis. Een marinier in hart en ziel....die een mens op waarden kan schatten... en het zodanig behandeld.. met respect....!! Trima kasih sobat...Toen kwam het bericht dat Het Korps Mariniers mensen nodig had en ik melde me aan met nog zo’n 130 man dach ik we werden in de kazerne van Manok gescreen en met twijfel aangehoord onze verhalen waren natuurlijk heel anders dan een jongen van 16 jaar en ook hadden wij het een en ander meegemaakt maar wij wisten ons eruit te praten en zeiden wat ze wilden horen en zo ben ik begonnen aan het leven als Marinier…………….

John Bruininga